Tekst: Hebreeën 13 : 10
Thema: Wij hebben een Altaar
1. De betekenis van het Altaar
2. De noodzaak van het Altaar
3. De uitsluiting bij het Altaar
Hebreeen 13 : 10 1: Dat de broederlijke liefde blijve. 2: Vergeet de herbergzaamheid niet; want hierdoor hebben sommigen onwetend engelen geherbergd. 3: Gedenkt der gevangenen, alsof gij mede gevangen waart; [en] dergenen, die kwalijk gehandeld worden, alsof gij ook zelven in het lichaam [kwalijk] [gehandeld] waart. 4: Het huwelijk [is] eerlijk onder allen, en het bed onbevlekt; maar hoereerders en overspelers zal God oordelen. 5: [Uw] wandel zij zonder geldgierigheid; en zijt vergenoegd met het tegenwoordige; want Hij heeft gezegd: Ik zal u niet begeven, en Ik zal u niet verlaten. 6: Zodat wij vrijmoediglijk durven zeggen: De Heere is mij een Helper, en ik zal niet vrezen, wat mij een mens zal doen. 7: Gedenkt uwer voorgangeren, die u het Woord Gods gesproken hebben; [en] volgt hun geloof na, aanschouwende de uitkomst [hunner] wandeling. 8: Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en in der eeuwigheid. 9: Wordt niet omgevoerd met verscheidene en vreemde leringen; want het is goed, dat het hart gesterkt wordt door genade, niet door spijzen, door welke geen nuttigheid bekomen hebben, die [daarin] gewandeld hebben. 10: Wij hebben een altaar, van hetwelk geen macht hebben te eten, die den tabernakel dienen. 11: Want welker dieren bloed voor de zonde gedragen werd in het heiligdom door den hogepriester, derzelver lichamen werden verbrand buiten de legerplaats. 12: Daarom heeft ook Jezus, opdat Hij door Zijn eigen bloed het volk zou heiligen, buiten de poort geleden. 13: Zo laat ons dan tot Hem uitgaan buiten de legerplaats, Zijn smaadheid dragende. 14: Want wij hebben hier geen blijvende stad, maar wij zoeken de toekomende. 15: Laat ons dan door Hem altijd Gode opofferen een offerande des lofs, dat is, de vrucht der lippen, die Zijn Naam belijden. 16: En vergeet de weldadigheid en de mededeelzaamheid niet; want aan zodanige offeranden heeft God een welbehagen. 17: Zijt uw voorgangeren gehoorzaam, en zijt hun onderdanig; want zij waken voor uw zielen, als die rekenschap geven zullen; opdat zij dat doen mogen met vreugde en niet al zuchtende; want dat is u niet nuttig. 18: Bidt voor ons; want wij vertrouwen, dat wij een goed geweten hebben, als die in alles willen eerlijk wandelen. 19: En ik bid [u] te meer, dat gij dit doet, opdat ik te eerder ulieden moge wedergegeven worden. 20: De God nu des vredes, Die den grote Herder der schapen, door het bloed des eeuwigen testaments, uit de doden heeft wedergebracht, [namelijk] onze Heere Jezus Christus, 21: Die volmake u in alle goed werk, opdat gij Zijn wil moogt doen; werkende in u, hetgeen voor Hem welbehagelijk is, door Jezus Christus; Denwelken zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen. 22: Doch ik bid u, broeders, verdraagt het woord dezer vermaning; want ik heb u in het kort geschreven. 23: Weet, dat de broeder Timotheus losgelaten is, met welken (zo hij haast komt) ik u zal zien. 24: Groet al uw voorgangeren, en al de heiligen. U groeten die van Italie zijn. 25: De genade zij met u allen. Amen.