Thema: dat wat overblijft
- Job 28 : 5
Ds. C.A. van Dieren
1. uit de aarde
2. onder de aarde
3. boven de aarde
Job 28 : 5 1: Gewisselijk, er is voor het zilver een uitgang, en een plaats voor het goud, dat zij smelten. 2: Het ijzer wordt uit stof genomen, en [uit] steen wordt koper gegoten. 3: Het einde, [dat] [God] gesteld heeft voor de duisternis, en al het uiterste onderzoekt hij; het gesteente der donkerheid en der schaduw des doods. 4: Breekt er een beek door, bij dengene, die daar woont, [de] [wateren] vergeten zijnde van den voet, worden van den mens uitgeput, [en] gaan weg. 5: Uit de aarde komt het brood voort, en onder zich wordt zij veranderd, alsof zij vuur ware. 6: Haar stenen zijn de plaats van den saffier, en zij heeft stofjes van goud. 7: De roofvogel heeft het pad niet gekend, en het oog der kraai heeft het niet gezien. 8: De jonge hoogmoedige dieren hebben het niet betreden, de felle leeuw is daarover niet heengegaan. 9: Hij legt zijn hand aan de keiachtige [rots], hij keert de bergen van den wortel om. 10: In de rotsstenen houwt hij stromen uit, en zijn oog ziet al het kostelijke. 11: Hij bindt de rivier toe, dat niet een traan uitkomt, en het verborgene brengt hij uit in het licht. 12: Maar de wijsheid, van waar zal zij gevonden worden? En waar is de plaats des verstands? 13: De mens weet haar waarde niet, en zij wordt niet gevonden in het land der levenden. 14: De afgrond zegt: Zij is in mij niet; en de zee zegt: Zij is niet bij mij. 15: Het gesloten goud kan voor haar niet gegeven worden, en met zilver kan haar prijs niet worden opgewogen. 16: Zij kan niet geschat worden tegen fijn goud van Ofir, tegen den kostelijken Schoham, en den Saffier. 17: Men kan het goud of het kristal haar niet gelijk waarderen; ook is zij [niet] te verwisselen voor een kleinood van dicht goud. 18: De Ramoth en Gabisch zal niet gedacht worden; want de trek der wijsheid is meerder dan der Robijnen. 19: Men kan de Topaas van Morenland haar niet gelijk waarderen; en bij het fijn louter goud kan zij niet geschat worden. 20: Die wijsheid dan, van waar komt zij, en waar is de plaats des verstands? 21: Want zij is verholen voor de ogen aller levenden, en voor het gevogelte des hemels is zij verborgen. 22: Het verderf en de dood zeggen: Haar gerucht hebben wij met onze oren gehoord. 23: God verstaat haar weg, en Hij weet haar plaats. 24: Want Hij schouwt tot aan de einden der aarde, Hij ziet onder al de hemelen. 25: Als Hij den wind het gewicht maakte, en de wateren opwoog in mate; 26: Als Hij den regen een gezette orde maakte, en een weg voor het weerlicht der donderen; 27: Toen zag Hij haar, en vertelde ze; Hij schikte ze, en ook doorzocht Hij ze. 28: Maar tot den mens heeft Hij gezegd: Zie, de vreze des HEEREN is de wijsheid, en van het kwade te wijken is het verstand.