< < < TERUG


Voorganger: Ds. A.T. Huijser


Gereformeerde Gemeenten - Rijssen-Noord

zondag 23-11-2025





Thema: dat wat overblijft
- Job 28 : 5
Ds. C.A. van Dieren

1. uit de aarde
2. onder de aarde
3. boven de aarde


Job 28 : 5
1: Gewisselijk, er is voor het zilver een uitgang, en een plaats voor het goud, dat zij smelten.
2: Het ijzer wordt uit stof genomen, en [uit] steen wordt koper gegoten.
3: Het einde, [dat] [God] gesteld heeft voor de duisternis, en al het uiterste onderzoekt hij; het gesteente der donkerheid en der schaduw des doods.
4: Breekt er een beek door, bij dengene, die daar woont, [de] [wateren] vergeten zijnde van den voet, worden van den mens uitgeput, [en] gaan weg.
5: Uit de aarde komt het brood voort, en onder zich wordt zij veranderd, alsof zij vuur ware.
6: Haar stenen zijn de plaats van den saffier, en zij heeft stofjes van goud.
7: De roofvogel heeft het pad niet gekend, en het oog der kraai heeft het niet gezien.
8: De jonge hoogmoedige dieren hebben het niet betreden, de felle leeuw is daarover niet heengegaan.
9: Hij legt zijn hand aan de keiachtige [rots], hij keert de bergen van den wortel om.
10: In de rotsstenen houwt hij stromen uit, en zijn oog ziet al het kostelijke.
11: Hij bindt de rivier toe, dat niet een traan uitkomt, en het verborgene brengt hij uit in het licht.
12: Maar de wijsheid, van waar zal zij gevonden worden? En waar is de plaats des verstands?
13: De mens weet haar waarde niet, en zij wordt niet gevonden in het land der levenden.
14: De afgrond zegt: Zij is in mij niet; en de zee zegt: Zij is niet bij mij.
15: Het gesloten goud kan voor haar niet gegeven worden, en met zilver kan haar prijs niet worden opgewogen.
16: Zij kan niet geschat worden tegen fijn goud van Ofir, tegen den kostelijken Schoham, en den Saffier.
17: Men kan het goud of het kristal haar niet gelijk waarderen; ook is zij [niet] te verwisselen voor een kleinood van dicht goud.
18: De Ramoth en Gabisch zal niet gedacht worden; want de trek der wijsheid is meerder dan der Robijnen.
19: Men kan de Topaas van Morenland haar niet gelijk waarderen; en bij het fijn louter goud kan zij niet geschat worden.
20: Die wijsheid dan, van waar komt zij, en waar is de plaats des verstands?
21: Want zij is verholen voor de ogen aller levenden, en voor het gevogelte des hemels is zij verborgen.
22: Het verderf en de dood zeggen: Haar gerucht hebben wij met onze oren gehoord.
23: God verstaat haar weg, en Hij weet haar plaats.
24: Want Hij schouwt tot aan de einden der aarde, Hij ziet onder al de hemelen.
25: Als Hij den wind het gewicht maakte, en de wateren opwoog in mate;
26: Als Hij den regen een gezette orde maakte, en een weg voor het weerlicht der donderen;
27: Toen zag Hij haar, en vertelde ze; Hij schikte ze, en ook doorzocht Hij ze.
28: Maar tot den mens heeft Hij gezegd: Zie, de vreze des HEEREN is de wijsheid, en van het kwade te wijken is het verstand.